Dutch

Gijsbert

Verloochenen

Wij zitten alweer in Israël. Het is Sabbat, een dag waarop iedere Israëli zijn werk neerlegt, behalve degenen die noodzakelijk werk doen. De meeste winkels zijn dicht. Je zou het bijna saai kunnen noemen. Ik wordt door de dochter van mijn gastvrouw uitgenodigd om ook aan tafel te komen zitten. Ik spreek hooguit tien woorden Ivrit en zij spreken zeer beperkt Engels. Toch ontstaat er soms enige vorm van communicatie door de paar woorden die wij kennen en vooral heel veel non-verbale communicatie. Zij vragen waar ik woon, hoe oud ik ben, wat ik daar kom doen, en of ik ook een Jood ben. Nee, ik ben geen Jood. Maar ik durfde ook niet te zeggen dat ik christen ben. Ik houd mijn mond. Stel je voor dat ze boos worden ofzo. Zij gaan door met hun gesprek.

De volgende ochtend ga ik door de stad struinen. Ik kom bij een kerk aan. Het is nog steeds Sabbat. Inmiddels heb ik doelgericht een uur gelopen om hier te komen. Voordat ik vertrok zag ik dat mijn gastvrouw nog sliep. Zij zal, als zij wakker wordt, niet weten waar ik ben. Ik twijfel nog steeds of ik vanavond ga zeggen waar ik wel was. Als ik dat doe, schopt ze mij misschien het huis uit. Daar heb ik geen zin in. Het lijkt me stug, maar je weet het nooit. Een gevoel van schuld bekruipt me. Durf ik niet eens op te komen voor mijn geloof? Voor Jezus? En dat omdat ik bang ben op straat te staan? En hoe zal ik dat gaan doen in tijden van vervolging, als mijn leven ervan af hangt? Het komt er aan, geloof ik. Satan gaat proberen de kinderen Gods te vernietigen. En word ik dan een tweede Petrus? Ik ken de mens niet. Het zij verre.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *