Dutch

´Bam´, met een grote boog gooit mijn zoon een groene bal uit zijn mini ballenbak. Gevolgd door een paarse, een gele en een oranje. Binnen no time ligt de hele kamer bezaaid met kleurige ballen. Vooruit maar, dat ruimen we straks wel weer op. Een guitige blik is mijn dank. Rommel maken moet soms kunnen, toch?! Een met kleurige-ballen-bezaaide kamer of een gang vol zand na een poosje zandbakpret.

Net als de kleintjes maken wij er ook wel eens rommeltje van. Een chagrijnige blik of een snerende opmerking na een nét iets te korte nacht. Zeker niet goed te praten, maar wel erg herkenbaar! En ook dan moet er ‘rommel’ geruimd worden. Sorry zeggen. Met woorden of met daden. Ik moet zeggen dat het me soms veel te gemakkelijk af gaat. Het sorry rolt dan zo over mijn lippen. Vanuit een soort reflex als er iets mis gaat of als ik een verwijt krijg. Tja, hoe gemeend is het dan?

Een andere keer kost het me juist enorm veel moeite. Met een steen op mijn maag loop ik er dagen mee rond. Wanneer ga ik het zeggen? Welke woorden ga ik gebruiken? Hoe zal die ander reageren? En dan vraag ik me zelf wel eens af, die steen op mijn maag.. Voel ik die, omdat ik zo schuldbewust ben? Of toch omdat mijn trots het er maar wat moeilijk mee heeft om excuses te maken? Het vraagt wel om wat eerlijke zelfreflectie om een oprechte excuus te maken. Maar wat zorgt het voor een opgeruimd hart! Hoe zeggen jullie sorry?

Samen met een vriendin ben ik een weekendje weg (before Corona enzo). Daar waar we eerst dachten van: we gaan naar Lissabon of een andere grote stad hebben we dit jaar opnieuw gekozen voor de Nederlandse bodem. Iets met milieu enzo.

Goed, wij dus een weekendje weg. Gewoon in een Airbnb. Een leuke eigenlijk wel. Toen we in het huisje kwamen zagen we het gelijk: alles was hier van de kringloop. En nee, niet omdat het er niet uitzag, juist niet! Laten we er op houden dat die vriendin en ik er kijk op hebben. Zelf zijn we ook kringloopfanaten.

Op het prikbord hing een ‘vintageroute’ kaart. Dat leek ons leuk om op de zaterdag te doen. Van de eigenaren konden we de fietsen regelen. Toen mijn vriendin vertelde wat we wilden gaan doen, was de eigenaresse zo enthousiast! Ze hield namelijk zo van de kringloop! – Hadden we al gezien mevrouw. –  

Enthousiast als ze was vertelde ze over haar favoriete kringloop in de buurt. “Oh”, zei ze, “daar heb ik nog een kortingsbon van. Neem die maar mee!” En even later kwam ze terug. Met de kortingsbon. Dat had ze niet hoeven doen.

Maar ze deed het.

Voor haar een klein gebaar, maar we vonden het zo attent!

Zo moeilijk is naastenliefde niet.

Voelsprieten
Met een traag gangetje trekt hij een plakkerig spoor over mijn stoeptegels. Eerlijk is eerlijk, soms irriteer ik me mateloos aan die kleine beestjes. Vooral als ze aan de slakroppen in mijn minikas knabbelen, van al die gaatjes in de bladeren raak ik not amused.. Toevallig heb ik er pas nog een paar de verdrinkingsdood gegeven in mijn zelf gemaakte biervallen. (Goede tip om te voorkomen dat je moestuin(tje) wordt leeg gegeten btw!) Maar toch hebben die beestjes iets heel fascinerends. We kunnen vast veel leren van het ‘slakkengangetje’ waarmee ze door het leven gaan, maar het zijn vooral de voelsprieten die mijn aandacht trekken. Als je zo’n voelspriet aanraakt trekt de slak zich vliegensvlug terug in zijn huisje: veilig en beschut.

Beschadigt
Iemand zei pas tegen mij zoiets als: “Ik weet niet of ik nog wel kan voelen”. Hij verpakte hetgeen hij zei in een retorische vraag en de precieze woorden weet ik niet meer. Het kwam er op neer dat hij te vaak beschadigt was. Zijn voelsprieten waren te vaak geknakt. Hij was drugs gaan gebruiken om weer te kunnen voelen. “Als je niet weet wat het is om te moeten gebruiken, dan kun je niet begrijpen wat het is om zo verslaafd te zijn.” En ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Maar wat zou het fijn zijn als we allemaal een huisje hebben, zoals de slak. Een plek of een persoon waar of bij wie we ons thuis voelen. Of misschien moeten we zelfs nog een stap terug. Wat zou het fijn zijn als we allemaal goed functionerende voelsprieten hebben. Waardoor we onszelf kunnen beschermen. Dat is wat ik iedereen uit de grond van mijn hart toewens: de voelsprieten van een slak én een veilig en beschutte plek om zich terug te trekken.

Bron: https://www.natuurpunt.be/pagina/slakken

Gebed
Dit gebed kwam ik tegen toen ik de bijbelapp van YouVersion opende, het was speciaal geschreven voor hen die met een verslaving worstelen. Ik wil hem graag met jullie delen.
“Geef ze kracht om terug te vechten als ze zich overweldigt voelen. Breng mensen in hun leven die hen zullen steunen. Bescherm hun lichaam, hart en gedachten. Scherm hen af van de verzoeking en verlos hen van de bozen.”

Krantje kopen?

Langzaam loop ik op de man af. Zou ik het durven? Ik heb er al vaak en lang over getwijfeld. Maar mijn nieuwsgierigheid wint het.

Ik zet nog een paar stappen naar voren. Ik zie hem vriendelijk lachen en gedag zeggen tegen iedereen die de Jumbo binnengaat. ‘Hoe gaat het?’ ‘Alles goed?’ ‘Veel plezier vandaag!’ Hij wisselt zijn zinnen met zijn grote glimlach af. Heel even observeer ik hem nog totdat ik de overbruggende stap maak.

Ik check of ik wel 1,5 meter bij hem vandaan sta. Zijn blauwe handschoen steekt af tegen het krantje in zijn hand. Nu is het mijn beurt om te praten. ‘Hoe gaat het?’ hoor ik mezelf al zeggen. Mijn opvolgende glimlach is wat minder breed dat die van hem hiervoor. Ben ik zenuwachtig?

Vriendelijk is het antwoord. Geduldig. En eerlijk. ‘Tja’, zegt hij ‘het gaat goed’ en al pratend steekt hij de krantjes naar voren: ‘twee euro!’. ‘Moet je deze verkopen?’ vraag ik hem. ‘Ja! Wil je er een?’

En dan stel ik de vraag die ik altijd al wilde weten: ‘Moet je er een minimaal aantal per dag verkopen?’ Hij lijkt de vraag niet helemaal te begrijpen. Zijn niet vloeiende Nederlands helpt ook niet echt mee. Toch weet ik uit hem te halen dat hij er 5-10 moet verkopen op een dag. Ik beloof geld op te nemen en zo terug te komen.

Eerlijk, toen ik bij de kassa was, was ik het alweer bijna vergeten. Vlug neem ik nog de 2 euro extra op. Al glimlachend leg ik daarna het muntstuk in zijn blauwe handschoen.

Onderweg naar huis komen de gedachten. Zou hij dan leven van die 10-20 euro per dag? Of zou hij meer betaald krijgen vanuit een of andere instantie? Stel je voor dat ik daar een hele zaterdag moet staan voor 10 euro? Zou hij gelukkig zijn?

Thuisgekomen weet ik niet meer wat ik denk. De gedachten buitelen over elkaar. Terwijl ik mijn boodschappen opruim, de tafel dek en ga zitten voor de lunch weet ik wat ik moet doen: bidden voor deze man. Wat is het heerlijk dat we alles kunnen vertellen aan onze hemelse Vader. ‘God, wilt u voor hem zorgen?’

Met een geruster hart kon ik mijn lunch beginnen.

Ik had een lange dag gewerkt. Maar het zat er weer op. Ik kon lekker richting huis gaan. Ik hoefde niet te koken en had ’s avonds niks. Heerlijk!

Zonder files kom ik de snelweg af en rijd ik over het industrieterrein naar de stoplichten. Soms moet ik hier zo ontzettend lang wachten. En voor het geval dat je denkt dat ik overdrijf: de langst getimede tijd is 7 minuten. Echt lang dus.

Nu sta ik vooraan. Ik wacht nog niet zo heel lang. De fietsers- en voetgangersoversteekplaats mogen eerst. Een aantal fietsers springen op de fiets en steken snel over. Iemand komt nog snel aan fietsen. Er waren geen voetgangers. Oh, jawel! Huh, wat doet die dame nou? Het ziet er onhandig uit.

Een al wat oudere vrouw loopt met haar fiets in de hand. Ze kijkt niet blij. Heeft ze hulp nodig? Is haar fiets kapot? Ik kijk snel even naar haar banden. Ziet er goed uit. Of is misschien de ketting er af? Of wacht, zou ze zo weer op haar fiets springen? Of, nouja, op haar fiets stappen dan…

“Terwijl ik langs reed stak ik mijn hand op. Dat kon ze helemaal niet zien. Maar wat maakt dat nou uit.”

De dame is gepasseerd, ze is rechts de zijstraat in gegaan waar ik ook zo heen ga. Mijn stoplicht staat nog steeds op rood. Ik denk aan de dame. Wat zal ik doen als ik zo langs haar rijd en ze loopt nog steeds? Zal ik stoppen? Ik keek in mijn binnenspiegel of de auto achter mij ook die straat in zou gaan. Wat zal ik doen?

Groen!

Groen! Nog even checkend of er geen fietsers rechts naast mij rijden, draai ik de zijstraat in. Waar is de vrouw? Ja! Daar!

En met dat ik kijk, stapt ze op haar fiets. Mijn hulp is helemaal niet nodig. Stiekem vind ik het jammer, ik heb eigenlijk wel zin om iemand te helpen. Maar wel gelukkig voor mevrouw. Terwijl ik langs rijd, steek ik mijn hand op. Dat kan ze helemaal niet zien. Maar wat maakt dat nou uit.

PS: Deze blog is geschreven voor de Corona-periode

Nog geen 300 meter lopen bij mijn huis vandaan staat een leuk oud huis. Nouja, het ziet er vooral oud uit door alle ‘troep’ die buiten staat. Als je rondkijkt zie je beelden, kabouters, oude fietsen, manden, potten en ga zo maar door. Op het hek pronkt een bordje: ‘Hier waak ik’.

Met dat ik het hek doorloop bedenk ik me dat ik die hond nog nooit ergens gezien heb. Zou hij eigenlijk wel bestaan? Ik loop zo’n 10 stappen en open de groene houten deur. Binnen is het grotendeels donker: één lamp staat aan. Op een of andere manier voelt het altijd een beetje stiekem als ik hier naar binnen loop.

Wat ben ik aan het doen? Ik ben aan het eieren halen. De beste man van deze woning en schuur heeft altijd kippen gehad. Totdat -jaren geleden- de vergunning niet meer verstrekt was. “Maar met de eierenverkoop ga ik door!”

Zo stond ik daar met een tas vol lege eierendozen. Het merendeel zijn dozen die mijn ouders overhadden. Ze wisten dat ik er iemand blij mee kon maken. 8 dozen wilde ik graag weer vullen. Eieren gaan hier snel genoeg op!

“Ze wisten dat ik er iemand blij mee kon maken.”

Terwijl ik de 60 eieren een voor een pak hoor ik geschuifel achter mij. Daar kwam de man. Je mag eieren pakken wanneer je maar wilt, als je maar het geld netjes in het potje doet. Nu kwam hij toch even kijken.

“Dankjewel dame voor de vele dozen! Daar wordt ik erg blij van.” Yes, ik had ze niet voor niets verzameld. Ik vroeg me af hoe hij eigenlijk aan al die eieren kwam. “Ja, die haal ik hier in de buurt.” En blijft u dan gewoon heen en weer rijden? “Ja dame, ik doe dit voor de praatjes.”

Wat was ik blij dat ik even de tijd had.

Elke dag is het weer een ding. Ik heb mijn bureaustoel aangeschoven, mijn toetsenbord recht gezet en mijn muis er rechts naast. Ja, ik zorg elke dag dat ik mijn bureau zo netjes mogelijk én zo leeg mogelijk achterlaat.

Als ik de trap van het oude pand afloop en daarna de deur dichtgooi (ja, dat moet daar) zie ik mijn grijze clio al staan. Hij gaat me weer naar huis brengen. Ik draai van de grindparkeerplaats het asfalt op en moet een klein stukje rijden om op de ‘grote’ weg te komen. Ik bedoel eigenlijk gewoon de doorgaande weg wat niet meer het terrein van het kantoor is.

En dat is het punt. Het is er altijd druk. Ik moet eerst een fietspad oversteken voordat ik de weg op kan draaien. Elke dag is het weer de vraag of ik er tussen kom. Nee, trouwens: niet óf, maar eerder wanneer.

Soms verbaas je je over de naastenliefde van anderen. Want ook zij staan in de file en moeten wachten voor het stoplicht. Ze laten je dan toch gelijk voor. Andere keren verbaas je je over het gebrek aan naastenliefde.

Een stroom aan auto’s gaat voorbij, ik ga nog wat verder naar voren staan. Het moet toch duidelijk zijn zo? Hallo? Mag ik even tussendoor? Uiteindelijk gunt iemand mij de ruimte.

Laatst probeerde ik het anders. Ik dacht: als ik nou gewoon iets brutaler ben. En daar waar een heel kleine ruimte was gooide ik mijn auto er tussen. De auto achter mij moest duidelijk remmen. Snel reed ik naar het stoplicht, nog net groen. De auto achter mij moest stoppen. Een klein schuldgevoel bekroop mij. Ik was best asociaal.

De volgende keer dat ik die weg op wil,  dan wacht ik wel weer even op ruimte.

PS: als je dit gelezen hebt, dan laat je de volgende keer vast een beetje van je naastenliefde zien als je bij een langs een uitrit komt. Toch?

We zaten allemaal al te wachten in de grote vergaderzaal. De bijeenkomst begon toch om 9.00 uur? Ik keek nog eens op mijn horloge. Tja, ik was netjes op tijd. Maar dat een trainer er om 8.58 nog niet is, dat is toch een beetje vreemd? Iets met voorbereidingstijd enzo?

‘Het is niet jouw verantwoordelijkheid Wil’ en, ‘heb gewoon eens geduld, joh’ ging het in mijn hoofd. Ik haalde nog maar een kopje thee.

Kijk, daar kwamen ze al. En toen begon het voorbereiden. Eerst nog een paar boeken op tafel. Oh? Hoe werkt het scherm eigenlijk? Nog wat te drinken? Ik ben niet heel erg van de tijd, maar ik gebruik mijn tijd wel graag nuttig. Vooral als er nog aardig wat werk ligt te wachten.

9.15 uur. ‘Zo, hoe laat is het?’ De trainer keek eens om zich heen. Ik vond het al hoog tijd om te beginnen. Zijn vrouw (ook trainer) nam het even over. “Onze excuses dat we zo laat zijn, maar we hebben even hulp geboden onderweg.”

Vol bewondering luisterde ik. Wat ontzettend attent, wat goed!

Nu had ze mijn volle aandacht. Hulp geboden? Gelukkig vertelde ze verder. “We reden onderweg hierheen en zagen twee kinderen staan. Het meisje lag half op de grond. Een jongetje stond er wat verder vandaan. Ze zagen er duidelijk uit alsof ze hulp nodig hadden.” Vol bewondering luisterde ik. Wat ontzettend attent, wat goed! “We hebben even onze auto aan de kant gezet en zijn gaan kijken. Het meisje haar veter zat helemaal aan de trapper van haar fiets vast en het jongetje wist niet meer wat ‘ie moest doen, dus hij was een eindje verderop gaan staan.” Arme schatten.

“Gelukkig lukte het ons om haar schoen uit te doen en was ze vrij snel los van de trapper! Daarna zijn we snel hier heen gereden.”

Ik keek nog eens op mijn horloge. Wat maakte het mij ook nog uit dat we later begonnen. Ze hadden twee kinderen geholpen. Dan hadden ze het nog vrij snel gedaan. Met een vredig gevoel begonnen we de training.

Ik deed de deur dicht, deed mijn rugtas van mijn rug af en ging zitten. Ik kwam er wel vaker. Het was er stil, niet best verlicht en de ruimte was nogal klein en muf. Ik keek om mij heen en durfde me niet af te vragen wanneer de ruimte voor het laatst grondig was schoongemaakt.

De muren hingen vol met uitnodigingen voor feestjes die allang gehouden waren. Er hingen aankondigingen van interdisciplinaire buitenlandreizen en besluiten van de facultaire studentenraad. De deur was beplakt met stickers met vage, filosofische leuzen en pr-materiaal van links-activistische groeperingen.

Mijn oog viel te midden van de chaos op een witte ronde sticker, ter grootte van een bierviltje. Het Actiefonds vroeg me met rode letters: ‘Strijd jij nog ergens voor?’ De sticker was me niet eerder opgevallen. Ik wist dat ik hier nog wel even zou zitten en gaf mezelf de tijd om een antwoord te formuleren. Ik ging er maar vanuit dat de oorspronkelijke gedachte achter deze vraag niet bepaald bevindelijk-levensbeschouwelijk was. Onder de sticker hing een andere sticker en meldde me in het rood Radio Voorwaarts. Aha, waarschijnlijk vallen deze stickers oorspronkelijk onder de categorie links-activistische studentenbeweging. Maar de vraag blijft staan. Waar strijd ik voor?

Ik dacht aan mijn ‘carrière’ tot dusver. Ik heb een havodiploma en eerlijk gezegd kon ik, met extra strijd, ook een vwo-diploma halen. Een opleiding binnen de pretfaculteit Geesteswetenschap is met enige inspanning ook makkelijk te halen. Ik doe wel mijn best, maar ik strijd niet. Dus wat betreft strijden, is carrière een dood spoor. Ik las de vraag nog eens. Strijd jij nog ergens voor?

Ik zou het echt niet weten. Ik stond op, hees mijn tas op mijn rug en ging buiten een luchtje scheppen. De vraag spookte door mijn hoofd. Strijd jij nog ergens voor?

Het suggereerde dat het normaal is om te strijden, maar waar strijdt ik dan voor? Ik heb een relatieve plek in de maatschappij. Ik hoef die niet direct te verdedigen en daar mag ik trouwens best wel eens dankbaar voor zijn. Toch? Er zijn tal van mensen die deze plek niet hebben gekregen.

Maar als het normaal is om te strijden, dan moet ik ook een strijd kennen, nietwaar? Ik peinsde verder. Dan kent iedereen een strijd. Misschien is die strijd niet continu en mag ik me soms aan een rust laven. Maar als ik dan weer moet strijden, weet ik dan onder welke banier ik strijd?

LOSLOOPVERBOD

Als vrijwilliger van het dierenasiel mag ik honden alleen uitlaten als ze aangelijnd zijn. Ze kunnen er zomaar vandoor gaan en je weet nooit precies hoe ze reageren op mensen of op andere honden. Voor de zekerheid wandel ik altijd in een stuk bos waar honden aangelijnd moeten zijn. Ik loop niet graag de kans dat een onaangelijnd hondje op ons komt afstormen. Dat zou best eens vervelend af kunnen lopen.

Veiligheid voor alles. Vandaag op pad met Jillz, een kruising Berner Sennen/Duitse Herder. Als we nietsvermoedend een bospad inslaan, zie ik in de verte een bruin witte hond aan komen stormen. Niet aangelijnd… Z’n bazinnetje probeert hem al roepend op andere gedachten te brengen. Tevergeefs. De honden grauwen over en weer wat naar elkaar, maar daar blijft het gelukkig bij. Mevrouw lijnt verontschuldigend haar geliefde huisdier weer aan. Ik ben geïrriteerd, maar ook blij dat Jillz het hoofd koel heeft gehouden.

In het woon-werkcentrum in Epe proberen we het voor onze bewoners zo veilig mogelijk te maken. Een plek, soms ver van de ‘oude’ omgeving, waar veel structuur is, een drugs- en alcoholverbod, controles, een slaapwacht… Helemaal waterdicht krijg je het natuurlijk nooit. Onverwachte gebeurtenissen, verkeerde invloeden of verleidingen zijn niet altijd te voorkomen. Nu niet en straks in de maatschappij niet. Soms loopt dat niet goed af. Maar soms zie je dat bewoners sterk genoeg zijn om er weerstand aan te bieden. En dat is winst.