Dutch

Samen met een vriendin ben ik een weekendje weg (before Corona enzo). Daar waar we eerst dachten van: we gaan naar Lissabon of een andere grote stad hebben we dit jaar opnieuw gekozen voor de Nederlandse bodem. Iets met milieu enzo.

Goed, wij dus een weekendje weg. Gewoon in een Airbnb. Een leuke eigenlijk wel. Toen we in het huisje kwamen zagen we het gelijk: alles was hier van de kringloop. En nee, niet omdat het er niet uitzag, juist niet! Laten we er op houden dat die vriendin en ik er kijk op hebben. Zelf zijn we ook kringloopfanaten.

Op het prikbord hing een ‘vintageroute’ kaart. Dat leek ons leuk om op de zaterdag te doen. Van de eigenaren konden we de fietsen regelen. Toen mijn vriendin vertelde wat we wilden gaan doen, was de eigenaresse zo enthousiast! Ze hield namelijk zo van de kringloop! – Hadden we al gezien mevrouw. –  

Enthousiast als ze was vertelde ze over haar favoriete kringloop in de buurt. “Oh”, zei ze, “daar heb ik nog een kortingsbon van. Neem die maar mee!” En even later kwam ze terug. Met de kortingsbon. Dat had ze niet hoeven doen.

Maar ze deed het.

Voor haar een klein gebaar, maar we vonden het zo attent!

Zo moeilijk is naastenliefde niet.

Krantje kopen?

Langzaam loop ik op de man af. Zou ik het durven? Ik heb er al vaak en lang over getwijfeld. Maar mijn nieuwsgierigheid wint het.

Ik zet nog een paar stappen naar voren. Ik zie hem vriendelijk lachen en gedag zeggen tegen iedereen die de Jumbo binnengaat. ‘Hoe gaat het?’ ‘Alles goed?’ ‘Veel plezier vandaag!’ Hij wisselt zijn zinnen met zijn grote glimlach af. Heel even observeer ik hem nog totdat ik de overbruggende stap maak.

Ik check of ik wel 1,5 meter bij hem vandaan sta. Zijn blauwe handschoen steekt af tegen het krantje in zijn hand. Nu is het mijn beurt om te praten. ‘Hoe gaat het?’ hoor ik mezelf al zeggen. Mijn opvolgende glimlach is wat minder breed dat die van hem hiervoor. Ben ik zenuwachtig?

Vriendelijk is het antwoord. Geduldig. En eerlijk. ‘Tja’, zegt hij ‘het gaat goed’ en al pratend steekt hij de krantjes naar voren: ‘twee euro!’. ‘Moet je deze verkopen?’ vraag ik hem. ‘Ja! Wil je er een?’

En dan stel ik de vraag die ik altijd al wilde weten: ‘Moet je er een minimaal aantal per dag verkopen?’ Hij lijkt de vraag niet helemaal te begrijpen. Zijn niet vloeiende Nederlands helpt ook niet echt mee. Toch weet ik uit hem te halen dat hij er 5-10 moet verkopen op een dag. Ik beloof geld op te nemen en zo terug te komen.

Eerlijk, toen ik bij de kassa was, was ik het alweer bijna vergeten. Vlug neem ik nog de 2 euro extra op. Al glimlachend leg ik daarna het muntstuk in zijn blauwe handschoen.

Onderweg naar huis komen de gedachten. Zou hij dan leven van die 10-20 euro per dag? Of zou hij meer betaald krijgen vanuit een of andere instantie? Stel je voor dat ik daar een hele zaterdag moet staan voor 10 euro? Zou hij gelukkig zijn?

Thuisgekomen weet ik niet meer wat ik denk. De gedachten buitelen over elkaar. Terwijl ik mijn boodschappen opruim, de tafel dek en ga zitten voor de lunch weet ik wat ik moet doen: bidden voor deze man. Wat is het heerlijk dat we alles kunnen vertellen aan onze hemelse Vader. ‘God, wilt u voor hem zorgen?’

Met een geruster hart kon ik mijn lunch beginnen.

Ik had een lange dag gewerkt. Maar het zat er weer op. Ik kon lekker richting huis gaan. Ik hoefde niet te koken en had ’s avonds niks. Heerlijk!

Zonder files kom ik de snelweg af en rijd ik over het industrieterrein naar de stoplichten. Soms moet ik hier zo ontzettend lang wachten. En voor het geval dat je denkt dat ik overdrijf: de langst getimede tijd is 7 minuten. Echt lang dus.

Nu sta ik vooraan. Ik wacht nog niet zo heel lang. De fietsers- en voetgangersoversteekplaats mogen eerst. Een aantal fietsers springen op de fiets en steken snel over. Iemand komt nog snel aan fietsen. Er waren geen voetgangers. Oh, jawel! Huh, wat doet die dame nou? Het ziet er onhandig uit.

Een al wat oudere vrouw loopt met haar fiets in de hand. Ze kijkt niet blij. Heeft ze hulp nodig? Is haar fiets kapot? Ik kijk snel even naar haar banden. Ziet er goed uit. Of is misschien de ketting er af? Of wacht, zou ze zo weer op haar fiets springen? Of, nouja, op haar fiets stappen dan…

“Terwijl ik langs reed stak ik mijn hand op. Dat kon ze helemaal niet zien. Maar wat maakt dat nou uit.”

De dame is gepasseerd, ze is rechts de zijstraat in gegaan waar ik ook zo heen ga. Mijn stoplicht staat nog steeds op rood. Ik denk aan de dame. Wat zal ik doen als ik zo langs haar rijd en ze loopt nog steeds? Zal ik stoppen? Ik keek in mijn binnenspiegel of de auto achter mij ook die straat in zou gaan. Wat zal ik doen?

Groen!

Groen! Nog even checkend of er geen fietsers rechts naast mij rijden, draai ik de zijstraat in. Waar is de vrouw? Ja! Daar!

En met dat ik kijk, stapt ze op haar fiets. Mijn hulp is helemaal niet nodig. Stiekem vind ik het jammer, ik heb eigenlijk wel zin om iemand te helpen. Maar wel gelukkig voor mevrouw. Terwijl ik langs rijd, steek ik mijn hand op. Dat kan ze helemaal niet zien. Maar wat maakt dat nou uit.

PS: Deze blog is geschreven voor de Corona-periode

Nog geen 300 meter lopen bij mijn huis vandaan staat een leuk oud huis. Nouja, het ziet er vooral oud uit door alle ‘troep’ die buiten staat. Als je rondkijkt zie je beelden, kabouters, oude fietsen, manden, potten en ga zo maar door. Op het hek pronkt een bordje: ‘Hier waak ik’.

Met dat ik het hek doorloop bedenk ik me dat ik die hond nog nooit ergens gezien heb. Zou hij eigenlijk wel bestaan? Ik loop zo’n 10 stappen en open de groene houten deur. Binnen is het grotendeels donker: één lamp staat aan. Op een of andere manier voelt het altijd een beetje stiekem als ik hier naar binnen loop.

Wat ben ik aan het doen? Ik ben aan het eieren halen. De beste man van deze woning en schuur heeft altijd kippen gehad. Totdat -jaren geleden- de vergunning niet meer verstrekt was. “Maar met de eierenverkoop ga ik door!”

Zo stond ik daar met een tas vol lege eierendozen. Het merendeel zijn dozen die mijn ouders overhadden. Ze wisten dat ik er iemand blij mee kon maken. 8 dozen wilde ik graag weer vullen. Eieren gaan hier snel genoeg op!

“Ze wisten dat ik er iemand blij mee kon maken.”

Terwijl ik de 60 eieren een voor een pak hoor ik geschuifel achter mij. Daar kwam de man. Je mag eieren pakken wanneer je maar wilt, als je maar het geld netjes in het potje doet. Nu kwam hij toch even kijken.

“Dankjewel dame voor de vele dozen! Daar wordt ik erg blij van.” Yes, ik had ze niet voor niets verzameld. Ik vroeg me af hoe hij eigenlijk aan al die eieren kwam. “Ja, die haal ik hier in de buurt.” En blijft u dan gewoon heen en weer rijden? “Ja dame, ik doe dit voor de praatjes.”

Wat was ik blij dat ik even de tijd had.

Elke dag is het weer een ding. Ik heb mijn bureaustoel aangeschoven, mijn toetsenbord recht gezet en mijn muis er rechts naast. Ja, ik zorg elke dag dat ik mijn bureau zo netjes mogelijk én zo leeg mogelijk achterlaat.

Als ik de trap van het oude pand afloop en daarna de deur dichtgooi (ja, dat moet daar) zie ik mijn grijze clio al staan. Hij gaat me weer naar huis brengen. Ik draai van de grindparkeerplaats het asfalt op en moet een klein stukje rijden om op de ‘grote’ weg te komen. Ik bedoel eigenlijk gewoon de doorgaande weg wat niet meer het terrein van het kantoor is.

En dat is het punt. Het is er altijd druk. Ik moet eerst een fietspad oversteken voordat ik de weg op kan draaien. Elke dag is het weer de vraag of ik er tussen kom. Nee, trouwens: niet óf, maar eerder wanneer.

Soms verbaas je je over de naastenliefde van anderen. Want ook zij staan in de file en moeten wachten voor het stoplicht. Ze laten je dan toch gelijk voor. Andere keren verbaas je je over het gebrek aan naastenliefde.

Een stroom aan auto’s gaat voorbij, ik ga nog wat verder naar voren staan. Het moet toch duidelijk zijn zo? Hallo? Mag ik even tussendoor? Uiteindelijk gunt iemand mij de ruimte.

Laatst probeerde ik het anders. Ik dacht: als ik nou gewoon iets brutaler ben. En daar waar een heel kleine ruimte was gooide ik mijn auto er tussen. De auto achter mij moest duidelijk remmen. Snel reed ik naar het stoplicht, nog net groen. De auto achter mij moest stoppen. Een klein schuldgevoel bekroop mij. Ik was best asociaal.

De volgende keer dat ik die weg op wil,  dan wacht ik wel weer even op ruimte.

PS: als je dit gelezen hebt, dan laat je de volgende keer vast een beetje van je naastenliefde zien als je bij een langs een uitrit komt. Toch?

We zaten allemaal al te wachten in de grote vergaderzaal. De bijeenkomst begon toch om 9.00 uur? Ik keek nog eens op mijn horloge. Tja, ik was netjes op tijd. Maar dat een trainer er om 8.58 nog niet is, dat is toch een beetje vreemd? Iets met voorbereidingstijd enzo?

‘Het is niet jouw verantwoordelijkheid Wil’ en, ‘heb gewoon eens geduld, joh’ ging het in mijn hoofd. Ik haalde nog maar een kopje thee.

Kijk, daar kwamen ze al. En toen begon het voorbereiden. Eerst nog een paar boeken op tafel. Oh? Hoe werkt het scherm eigenlijk? Nog wat te drinken? Ik ben niet heel erg van de tijd, maar ik gebruik mijn tijd wel graag nuttig. Vooral als er nog aardig wat werk ligt te wachten.

9.15 uur. ‘Zo, hoe laat is het?’ De trainer keek eens om zich heen. Ik vond het al hoog tijd om te beginnen. Zijn vrouw (ook trainer) nam het even over. “Onze excuses dat we zo laat zijn, maar we hebben even hulp geboden onderweg.”

Vol bewondering luisterde ik. Wat ontzettend attent, wat goed!

Nu had ze mijn volle aandacht. Hulp geboden? Gelukkig vertelde ze verder. “We reden onderweg hierheen en zagen twee kinderen staan. Het meisje lag half op de grond. Een jongetje stond er wat verder vandaan. Ze zagen er duidelijk uit alsof ze hulp nodig hadden.” Vol bewondering luisterde ik. Wat ontzettend attent, wat goed! “We hebben even onze auto aan de kant gezet en zijn gaan kijken. Het meisje haar veter zat helemaal aan de trapper van haar fiets vast en het jongetje wist niet meer wat ‘ie moest doen, dus hij was een eindje verderop gaan staan.” Arme schatten.

“Gelukkig lukte het ons om haar schoen uit te doen en was ze vrij snel los van de trapper! Daarna zijn we snel hier heen gereden.”

Ik keek nog eens op mijn horloge. Wat maakte het mij ook nog uit dat we later begonnen. Ze hadden twee kinderen geholpen. Dan hadden ze het nog vrij snel gedaan. Met een vredig gevoel begonnen we de training.

Heb ik alles? Sleutel, broodtrommel, flesje water… Mobiel? Ja! Ik trek de voordeur achter mij dicht en loop de trap af. Ik woon in een bovenwoning. Bovenaan de trap is water blijven staan. Het is glad en koud. Ik trek mijn sjaal wat verder over mijn gezicht. Het zal er vast niet uitzien, maar warm is het wel.

Mijn kleine grijze auto staat er wit bij. Gelukkig heb ik gisteravond een kleedje over het voorraam gelegd. Scheelt toch weer iets. Eerst even de kachel aanzetten. Ik draai het contact aan en? PATS! Hmm? Wat was dat? Geen idee. Eerst maar krabben.

Zo, alles eraf, vlug door naar m’n werk. Al glibberend over het erf druipt er water van m’n autodak over de voorruit. Ruitenwissers aa… hmm… Nog een keer. Een tandje omhoog dan, of naar beneden? Wanneer staan ze ook alweer uit? Geen idee, laat ik maar naar m’n werk gaan. Dat beetje water druipt er vanzelf af.

Na m’n werk loop ik weer richting de auto. Owja, die ruitenwissers. Toch maar even de garage bellen. ‘Ben je toevallig lid van de ANWB?’ ‘Jazeker.’ ‘Als je die vanavond laat komen kunnen ze het misschien zo verhelpen.’ ‘Goed idee, dat ga ik doen.’

Pechmelding in de app, een belletje er achteraan en binnen een uur staat hij op het erf. Jan van de ANWB ging voor mij aan de slag. En toen ging ik het voelen. Waarom kan ik niks doen? Owja. ‘Wilt u misschien iets drinken?’ ‘Nee hoor.’ Ow. Ik loop een rondje om de auto. Waarom had ik geen dikkere schoenen aan? Zou hij het vervelend vinden als ik zo mee kijk? Ergens vind ik het interessant, maar ik weet er niks van. Hij vertelt dat hij de zekeringen even doormeet (of zoiets). Ik vind het meer lijken op dokter Bibber. Bibber. Koud. Ik loop nog maar een rondje om de auto. En weer terug. Kon ik misschien nog wat doen?

‘Zo, ik ga dit gedeelte even openmaken.’ ‘Prima.’ ‘Wil je deze twee moertjes voor mij vasthouden?’ Yes! Ik kan wat doen! Met twee moertjes stevig in mijn hand geklemd durf ik wel weer even toe te kijken. Waarom wil ik eigenlijk zo graag ook wat doen?

Een half uur later is het zover. ‘Ik heb een noodkabeltje gespannen, wel binnenkort mee naar de garage gaan.’ Ik vind het echt helemaal prima. Ik had het zelf niet gekund. Ik ben Jan van de ANWB dankbaar. Soms moet ik misschien wat meer accepteren dat andere mensen ook dingen voor mij doen. Je doet toch zelf ook graag dingen voor anderen, Wil? Owja.

Ik trek mijn sjaal wat verder over mijn gezicht. Het zal er vast niet uitzien, maar warm is het wel. Snel de trap op naar een warme maaltijd.

Na een lange werkdag rijd ik naar het dichtstbijzijnde dorpje om boodschappen te gaan halen. Terwijl ik het boodschappenlijstje in m’n hoofd herhaal – brood, groente, yoghurt voor morgenochtend en misschien nog wat lekkers voor bij de thee – zet ik de muziek nog wat harder. Heerlijk zo’n eigen autootje.

Wat boodschappen verder en geen onnodige dingen –compliment voor mezelf- trek ik de autodeur dicht en rijd ik het pleintje af. Zo, nu echt richting huis. Ik rijd een beetje door het dorp en daarna draai ik de 60-weg op die langs mijn huis komt. En op het moment dat ik wat meer gas geef om die 60 te bereiken zie ik haar lopen.  Een wat ouder vrouwtje, wat voorover gebukt met minstens vier zware tassen. Het lopen gaat niet heel vlot meer. Ik bekijk het even, maar ben er al vrij snel voorbij.

En met dat ik er voorbijrijd denk ik: waarom stop ik niet om even te helpen? En dan begint het.

‘Nee joh, je kan hier niet zomaar stoppen.’

‘Hoezo niet?’

‘Ja maar je bent er nu al ver voorbij…’

‘Dan ga je toch terug?’

‘Nee dat is onhandig.’

‘Met zoveel tassen sjouwen is pas onhandig!’

‘Owja, nouja, ik ben nu alweer zoveel verder.’

‘Maar misschien moest ze nog heel ver lopen?’

‘Owja…’

Na een lange werkdag rijd ik door naar mijn huis. Ik bedacht van alles, maar het is maar een ding: een gemiste kans. Ik had op z’n minst hulp kunnen aanbieden ook al had ze het niet gewild.

Volgende keer beter?

Met mijn handen vol – ik pak nooit een mandje – loop ik naar de kassa van de Jumbo. Ik moet voorzichtig doen, wil er niets uit mijn handen vallen. Ik leg de spullen op de welbekende zwarte band. Ik schuifel richting mijn beurt.

Neem ik zo weer al die spullen in mijn handen of ga ik toch een doosje pakken? Even kijk ik richting de doosjes-verzamel-bak. Dan valt mijn oog op een doosje aan de andere kant van de cassiere. Het staat op de plek waar de meeste mensen hun boodschappen in hun tas doen. Hmm.. daar zitten al boodschappen in.

Schuifel.. wacht… schuifel.. wacht.. en ja! Mijn beurt. Na een wederzijds goedemiddag komt er een mevrouw aanlopen met twee kleine kinderen. Bij het doosje met boodschappen op ‘mijn’ inpakplek blijft ze staan. Ze begint te praten tegen de caissière van de andere kassa: “Ja, er zijn denk ik meer problemen met de PIN, want ik kan nergens geld opnemen.” De caissière fronst even. Mijn boodschappen bliepen ondertussen langs de kassa.

Ik hoor: “Woont u ver? Anders moet u thuis even geld gaan halen.” Ik kijk naar de twee kinderen. Ongeduldig schuifelen ze achter hun mama. De mama fronst nu ook. En kijkt om zich heen.

Ik zie haar zoeken naar een oplossing.

Op dat moment voel ik dat ik de oplossing ben: “Zal ik anders uw boodschappen even betalen?” De vrouw kijkt mij met grote ogen aan. “Nou, uhm ja, als je dat zou willen.” Vlug pak ik nog een doosje voor mijn eigen boodschappen, betaal en zet mijn doosje aan de kant.” De mama wil het geld gelijk naar mij overmaken en opent haar RABO app. Ik ga vast in de rij staan.

Met een tevreden gevoel reken ik haar boodschappen af. Met een dankbaar gezicht laat de mama de afschrift van de betaling aan mij zien. Ideaal die pinpas…

Zolang hij het doet…

Een beetje gespannen loop ik naar binnen. Ik kijk even onwennig om mij heen. De warmte vult de ruimte en een witte waas slaat op mijn brillenglazen. Bril af, portemonnee pakken, doorlopen, even betalen en snel gaan. Vlug een kleedhokje in. Ik ben wat laat. Ik weet nog niet dat ik wat vergeten ben… maar dat duurt niet lang.

Waar ik ben? Die warmte? En witte waas? Juist, het zwembad. Ik ben hier voor het eerst en heb geen idee hoe het hier werkt. Gewapend met 50 cent en een berg kleding (geen tijd meer om die in de tas te stoppen) glibber ik richting de kluisjes.

‘Zo, ga jij ook aquabootcampen?’ vraag ik dapper aan een meisje bij de kluisjes. ‘Uhm nee, ik ga voor de zwangerschapsgym.’ Hmm, verkeerde aangesproken.  Met een gehaast hoofd, een snelle glimlach en een ‘fijne avond’ loop ik tussen de kluisjes vandaan. Ik zie nog net een rijtje mensen bij een ander bad de deur door gaan. Juist. Aquabootcamp gevonden.

Mensen in volledige sportoutfits, in wat minder volledige, mensen waar ik drie keer in pas…  Het is van alles wat.  Na wat duidelijke instructies gaan we aan de slag. Al snel denk ik niet meer aan 50 centen of zwangerschappen. Tussen de adembenemende oefeningen door kan ik nog maar aan één ding denken: water. Ja, logisch, dat heb je in het zwembad overal. Nee, ik bedoel niet dát water. Drinkwater. Ik wil alleen maar drinkwater, drinkwater. Drinkwater! Dorst! Maar? Ik ben het vergeten.

Ondertussen ben ik alweer vijf aquabootcamp avonden verder. Je begrijpt: ik voel me helemaal afgetraind. Bijna dan. Een beetje. Of eigenlijk nog helemaal niet. Maar goed. Een ding kan ik goed: mijn flesje water meenemen. Geloof me: onmisbaar. En? Dat wordt nog bevestigd ook.

Ik zie haar net voor mijn vijfde training een beetje gespannen binnenkomen. Ze kijkt onwennig om zich heen. Zou ze voor het eerst zijn? Tijdens de oefeningen sta ik naast haar, mijn flesje water –uiteraard- binnen handbereik. Ik zie haar in de rust even om zich heen kijken. Zou ze haar water missen? ‘EN WE GAAN DOOR MET DE SQOATS…’ En vlug weer door. 1,2,3…4…5… Stiekem kijk ik even om. Ja, zo te zien is ze echt voor het eerst (sorry, dat kan je zien). In de volgende rust twijfel ik. Stel je voor dat ze een ziekte heeft, of besmettelijk is van weet ik veel wat? Ik ken haar niet eens. ‘WE GAAN DOOR MET DE VOLGENDE…’ Okee, okee… 1, 2…3…4… Misschien in de volgende rust dan. En voordat ik langer nadenk over ziektes en besmettelijkheid zie ik haar vermoeidheid.  ‘Wil je wat van mijn water?’ – ‘Uhm ja, als dat zou kunnen heel graag.’ Ik betrapte mij op de gedachte: ‘drink nou niet alles op!’ Gevolgd door: ‘Wil, doe normaal. Weet je nog, 5 lesjes terug? Okee, okee…’ En natuurlijk dronk ze hem niet leeg. En ik werd ook helemaal niet ziek.

En wat ik het meest getraind had die les? Juist. Mijn bereidheid om te delen.